vrijdag 21 maart 2008

We'll live and die in these towns

Grote winderige pleinen. Alsof ze het er om doen. Op ontwerptekeningen en maquettes zien ze er altijd alleraantrekkelijkst uit. Groene bomen, mensen zitten en keuvelen op houten designbankjes, het aanwezige glaswerk weerkaatst de altijd stralende zon, een strak blauwe hemel steekt prachtig af tegen de open ruimte en er lopen altijd meisjes in frivole, fleurige en door zomerbriesje licht wapperende jurkjes. Op de 3D-tekeningen is het altijd een bijzonder genoegen om op zo'n plein mogen te vertoeven. Ik zie de glimlach van de architecten en projectontwikkelaars al glimmen als ze die meisjes inplakken in hun digitale tekening.

Op de gebouwen rondom dat magnifieke plein mogen de architecten hun creativiteit naar hartelust botvieren. Machtige kantoorcomplexen, met veel glas of juiste hippe uit zwarte bakstenen opgetrokken zuilen met een subtiel rood detail. Zonodig opgeleukt met kleurige aanlichting zodat het plein ook 's avonds een aangename plek is om te flaneren. Op de begane grond van die bouwwerken zitten in het plan altijd drukke restaurants, yuppenbars en dure kledingwinkels gevestigd. Daarboven komen de kantoren van werkgevers waar iedereen wil werken. Het is een plein waar je ziet en gezien mag worden.

Maar dat is de theorie van de Grote Pleinen. In de praktijk is dat heel anders, alleen hebben ze dat in Rotterdam nooit begrepen. Daar lijken ze verslaafd aan Grote Pleinen met hippe kantoorgebouwen en winkelgalerijen. Op Grote Open Pleinen met architectonische hoogstandjes aan de flanken. Zou er een architect zijn waarbij het water niet in de mond loopt bij het zien van zoveel bouwkundige kunstwerken. Waarschijnlijk wel, er zijn ongetwijfeld architecten die het niet zo op hebben met de Grote Pleinencultuur. Maar die hebben in Rotterdam dan vast ook nog nooit een opdracht mogen aannemen.

Grote Pleinen. Grijze, grauwe plekken waar de wind en regen vrij spel hebben en daarmee iedereen binnen no-time weg jagen van die verschrikkelijke plek. De prullenbakken zijn versierd met een laag graffiti, de bomen staan treurig in de wind te zwiepen met hun kale takken, de bankjes zijn nat en het hout begint al te schilferen. Mensen flaneren niet over het midden van het plein, maar lopen weggedoken in hun jas zo dicht mogelijk langs de gebouwen om maar zo min mogelijk last te hebben van de weergoden die het plein als speelveld hebben uitgekozen. Je ziet ze vloeken als ze langs een doorgang tussen twee gebouwen door moeten, want daaruit zuigt het Plein al haar lucht vandaan en probeert ze alles mee te nemen wat zij (is het Plein vrouwelijk?) onderweg tegenkomt. Starend naar deze taferelen vroeg ik me af of er in Rotterdam mensen met pleinvrees wonen. Want voor die mensen moet deze stad toch een hel op aarde zijn. Ik schudde mijn hoofd, sloeg mijn das nog twee keer om en ging voor de poging de overkant van het plein te bereiken. Op mijn mp3-speler klonk The Enemy, over de laatste hoop om Rotterdam niet geheel af te schrijven: We`ll live and die, we`ll live and die in these towns, don`t let it drag you down, don't let it drag you down...

Geen opmerkingen: